Is de Big Five wetenschappelijk? Wat het onderzoek zegt

In het kort

Ja. De Big Five is het best onderzochte model van persoonlijkheid: de vijf eigenschappen komen terug in veel talen, blijven bij volwassenen redelijk stabiel en hangen in groepen mensen samen met uitkomsten in het leven. Het model heeft ook grenzen: het meet vooral zelfbeschrijving, werkt niet in elke omgeving even goed en beschrijft brede lijnen, geen volledig mens.

Wie een persoonlijkheidstest doet, wil weten of de uitslag iets voorstelt. Bij de Big Five is het antwoord grotendeels ja. Het is het model waar persoonlijkheidsonderzoekers het vaakst mee werken, juist omdat het steeds opnieuw overeind blijft.

Maar wetenschappelijk betekent ook: eerlijk over de grenzen. Op deze pagina lees je wat het onderzoek laat zien, wat het model niet kan, welke kritiek er is en waarom modellen met typen het minder goed doen.

Waarom geldt de Big Five als wetenschappelijk?

De Big Five geldt als wetenschappelijk omdat de vijf eigenschappen niet bedacht zijn, maar gevonden, en omdat ze steeds opnieuw terugkomen. Onderzoekers verzamelden de woorden waarmee mensen elkaar beschrijven en lieten grote groepen zichzelf en anderen daarop beoordelen. Met verschillende rekenmethoden kwamen steeds dezelfde vijf brede groepen naar voren, zowel in zelfbeschrijvingen als in beschrijvingen door anderen [1].

Een tweede reden is dat de structuur ook in andere talen terugkomt. Toen vragenlijsten werden vertaald in talen uit vijf verschillende taalfamilies, waaronder het Duits, het Hebreeuws, het Chinees en het Japans, kwamen de vijf eigenschappen in grote lijnen terug [2].

Dat is de kern van goede wetenschap: een bevinding die blijft staan als anderen het opnieuw proberen, met andere mensen en andere methoden. Wat de vijf eigenschappen precies zijn, lees je bij wat is de Big Five.

Hoe betrouwbaar is een Big Five-score?

Een Big Five-score is betrouwbaar als de vragen per eigenschap hetzelfde meten en als je bij een nieuwe meting ongeveer op dezelfde plek uitkomt. Bij een goede test met genoeg vragen is dat zo. Toch bevat elke meting wat ruis: je stemming die dag, hoe je een vraag leest, een toevallige keuze tussen "eens" en "helemaal eens".

Het aantal vragen maakt veel uit. Onderzoek naar zeer korte vragenlijsten, met één of twee vragen per eigenschap, laat zien dat die het verband tussen persoonlijkheid en gedrag flink onderschatten. Een iets langere lijst helpt al duidelijk [3]. Daarom geeft een korte test een eerste beeld en een lange test een preciezer beeld.

Een tweede toets is of anderen je herkennen in je uitslag. Onderzoek dat zelfbeoordelingen vergelijkt met beoordelingen door familie, vrienden en collega's, laat zien dat anderen je persoonlijkheid tot op zekere hoogte goed inschatten. Hoe beter ze je kennen, hoe beter dat lukt, vooral bij eigenschappen die van buiten moeilijk te zien zijn, zoals Emotionele stabiliteit [4].

Voor je eigen uitslag betekent dit: lees een score dicht bij 50 als "dicht bij het midden", niet als een exacte plek. Bij een nieuwe meting kun je net aan de andere kant uitkomen. Verder van het midden is de richting veel duidelijker.

Hoe stabiel is persoonlijkheid?

Persoonlijkheid is bij volwassenen redelijk stabiel, maar ligt niet vast. Een grote meta-analyse van langlopende studies vond dat de plek van mensen ten opzichte van elkaar steeds stabieler wordt tijdens de jeugd, en vanaf de jonge volwassenheid ongeveer gelijk blijft [5]. Na je vijfentwintigste vonden de onderzoekers weinig aanwijzingen dat die stabiliteit nog verder toeneemt [5].

Tegelijk verandert het gemiddelde wel. Mensen worden met de jaren gemiddeld wat rijper, en dat valt samen met de toenemende stabiliteit. Vooral Emotionele stabiliteit nam over het hele leven gestaag toe, meer dan eerder gedacht [5]. Hoe dat precies verloopt, lees je bij verandert persoonlijkheid met de leeftijd.

Hoe komt het dat mensen verschillen? Een meta-analyse van tweeling-, gezins- en adoptiestudies schatte dat ongeveer 40 procent van de verschillen in persoonlijkheid tussen mensen samenhangt met erfelijke aanleg, en ongeveer 60 procent met omgeving en ervaring [6]. Dat is een getal over verschillen in groepen, geen percentage van jou. En het betekent niet dat een eigenschap vastligt.

Wat verklaart de Big Five wel en niet?

De Big Five beschrijft betrouwbaar hoe mensen gewoonlijk verschillen, en die verschillen hangen in groepen mensen samen met uitkomsten in het leven. Of die verbanden echt zijn, is grondig getoetst. Een groot herhaalproject zocht 78 eerder gevonden verbanden tussen eigenschappen en uitkomsten in het leven opnieuw op, met grote groepen deelnemers. Ongeveer 87 procent kwam terug in de verwachte richting, al waren de verbanden gemiddeld wat zwakker dan in de eerste studies [7].

Dat laat ook zien wat het model niet doet. De verbanden zijn meestal bescheiden: een eigenschap maakt een uitkomst in een groep mensen iets waarschijnlijker, niet zeker. Voor één persoon spelen omstandigheden, vaardigheden, keuzes en toeval een minstens zo grote rol. Een Big Five-profiel voorspelt dus niet of jij succes krijgt in je werk of gelukkig wordt in een relatie.

Het model beschrijft bovendien vooral hoe je bent, niet waarom. Het zegt weinig over je waarden, je doelen, je levensverhaal of wat je drijft. Het is een stevige basis om jezelf te leren kennen, geen volledige beschrijving van een mens.

Welke kritiek is er op de Big Five?

De belangrijkste kritiek gaat over vier punten: zelfbeschrijving, cultuur, het aantal eigenschappen en de breedte van de eigenschappen.

Zelfbeschrijving. Een test meet hoe je jezelf ziet. Mensen kunnen zichzelf gunstiger of strenger beschrijven dan anderen hen zien. Daarom gebruiken onderzoekers soms ook beoordelingen door anderen, die volgens onderzoek een waardevolle aanvulling zijn [4].

Cultuur. Het model is vooral ontwikkeld in westerse, hoogopgeleide landen. In een studie met enquêtes waarbij een interviewer de vragen stelde, onder bijna 95.000 mensen in 23 lage- en middeninkomenslanden maten de gangbare vragen de bedoelde eigenschappen vaak niet goed. Bij mensen uit dezelfde landen die een vragenlijst online invulden, werkte het veel beter [8]. Een vragenlijst werkt dus niet vanzelf in elke omgeving en bij elke manier van afnemen.

Vijf of zes? Sommige onderzoekers vinden zes brede eigenschappen in plaats van vijf. Het bekendste alternatief is het HEXACO-model, dat er eerlijkheid en bescheidenheid als aparte eigenschap aan toevoegt. Volgens de onderzoekers achter dat model verklaart die zesde eigenschap een aantal dingen die de Big Five minder goed vangt [9].

Breed. Vijf eigenschappen zijn grove lijnen. Twee mensen met dezelfde score op Extraversie kunnen verschillen in de smallere kanten daarbinnen, de facetten en aspecten.

Waarom doen typemodellen het minder goed?

Typemodellen delen mensen in hokjes, terwijl onderzoek laat zien dat persoonlijkheid geleidelijk verloopt. Een overzicht van 102 studies die met statistische methoden naar echte persoonlijkheidstypen zochten, vond dat nieuwere, strengere studies bijna nooit typen vonden. De conclusie: echte persoonlijkheidstypen zijn zeer zeldzaam of bestaan niet [10].

Dat heeft gevolgen. Een typemodel moet ergens een grens trekken. Wie net onder die grens zit en wie er net boven zit, krijgen een ander label, terwijl ze bijna hetzelfde antwoordden. En wie net boven de grens zit, krijgt hetzelfde label als iemand die extreem hoog scoort. Een schaal bewaart die informatie wel. Meer hierover lees je bij Big Five of MBTI.

Drie mensen met 48, 53 en 95. Hokjes zetten A en B apart terwijl ze bijna hetzelfde scoren, en B en C samen terwijl ze ver uit elkaar liggen. Een schaal laat zien hoe dicht mensen echt bij elkaar zitten.

Wat betekent dit voor je eigen uitslag?

Lees je uitslag als een betrouwbare beschrijving van je gewoonlijke neigingen, niet als een oordeel of een voorspelling. Scores ver van 50 zeggen duidelijk aan welke kant je zit. Scores tussen 40 en 60 betekenen dat je iets van beide kanten herkent. Elke score is goed: hoog en laag hebben elk hun eigen sterke punten.

DepthFive meet de vijf eigenschappen met een gratis test van 20 vragen, zonder e-mail of account, en vergelijkt je met ruim 100.000 mensen. Wie een preciezer beeld wil, beantwoordt voor eenmalig €25 de overige 100 vragen en krijgt een persoonlijk rapport op alle 120. Je kunt beginnen met de gratis test.

Veelgestelde vragen

Is de Big Five betrouwbaarder dan MBTI?

Onderzoekers gebruiken de Big Five veel vaker, omdat het model persoonlijkheid op schalen meet in plaats van in typen. Onderzoek laat zien dat persoonlijkheid geleidelijk verloopt en dat echte typen zeer zeldzaam zijn of niet bestaan [10]. Een schaal past daar beter bij dan een indeling in hokjes.

Kun je een persoonlijkheidstest beïnvloeden?

Ja. Als je dat wilt, kun je je anders voordoen dan je bent. Een test meet zelfbeschrijving, dus de uitslag is zo eerlijk als je antwoorden. Doe je een test voor jezelf, dan heb je er het meest aan als je antwoordt zoals je nu in het algemeen bent.

Werkt de Big Five in elke cultuur?

In veel talen en landen komen dezelfde vijf eigenschappen in grote lijnen terug [2]. Toch werken de gangbare vragen niet overal even goed, vooral niet bij enquêtes met een interviewer in lage- en middeninkomenslanden [8]. Het model is breed bruikbaar, maar niet vanzelf overal.

Hoeveel van persoonlijkheid is erfelijk?

Een meta-analyse schatte dat ongeveer 40 procent van de verschillen in persoonlijkheid tussen mensen samenhangt met erfelijke aanleg en ongeveer 60 procent met omgeving en ervaring [6]. Dat gaat over verschillen in groepen, niet over één persoon, en betekent niet dat een eigenschap vastligt.

Waarom gebruiken psychologen de Big Five?

Omdat het model steeds opnieuw overeind blijft: in verschillende talen, met verschillende methoden en in herhaalstudies [1][2][7]. Het geeft onderzoekers een gemeenschappelijke taal om verschillen tussen mensen te beschrijven en te vergelijken.

Zie waar jij staat

Doe de gratis test: 20 vragen, ongeveer 4 minuten, en een echte uitslag zonder e-mailadres.

Doe de gratis test

Uit onderzoek

  1. Goldberg, L. R. (1990). An alternative "description of personality": The Big-Five factor structure. Journal of Personality and Social Psychology, 59(6), 1216-1229. https://doi.org/10.1037/0022-3514.59.6.1216
  2. McCrae, R. R., & Costa, P. T., Jr. (1997). Personality trait structure as a human universal. American Psychologist, 52(5), 509-516. https://doi.org/10.1037/0003-066X.52.5.509
  3. Credé, M., Harms, P., Niehorster, S., & Gaye-Valentine, A. (2012). An evaluation of the consequences of using short measures of the Big Five personality traits. Journal of Personality and Social Psychology, 102(4), 874-888. https://doi.org/10.1037/a0027403
  4. Connelly, B. S., & Ones, D. S. (2010). An other perspective on personality: Meta-analytic integration of observers' accuracy and predictive validity. Psychological Bulletin, 136(6), 1092-1122. https://doi.org/10.1037/a0021212
  5. Bleidorn, W., Schwaba, T., Zheng, A., Hopwood, C. J., Sosa, S. S., Roberts, B. W., & Briley, D. A. (2022). Personality stability and change: A meta-analysis of longitudinal studies. Psychological Bulletin, 148(7-8), 588-619. https://doi.org/10.1037/bul0000365
  6. Vukasović, T., & Bratko, D. (2015). Heritability of personality: A meta-analysis of behavior genetic studies. Psychological Bulletin, 141(4), 769-785. https://doi.org/10.1037/bul0000017
  7. Soto, C. J. (2019). How replicable are links between personality traits and consequential life outcomes? The Life Outcomes of Personality Replication Project. Psychological Science, 30(5), 711-727. https://doi.org/10.1177/0956797619831612
  8. Laajaj, R., Macours, K., Pinzon Hernandez, D. A., Arias, O., Gosling, S. D., Potter, J., Rubio-Codina, M., & Vakis, R. (2019). Challenges to capture the big five personality traits in non-WEIRD populations. Science Advances, 5(7), eaaw5226. https://doi.org/10.1126/sciadv.aaw5226
  9. Ashton, M. C., & Lee, K. (2007). Empirical, theoretical, and practical advantages of the HEXACO model of personality structure. Personality and Social Psychology Review, 11(2), 150-166. https://doi.org/10.1177/1088868306294907
  10. Haslam, N. (2019). Unicorns, snarks, and personality types: A review of the first 102 taxometric studies of personality. Australian Journal of Psychology, 71(1), 39-49. https://doi.org/10.1111/ajpy.12228