Wat is de Big Five? Het vijffactorenmodel van persoonlijkheid
In het kort
De Big Five is het meest gebruikte wetenschappelijke model van persoonlijkheid. Het beschrijft mensen op vijf brede eigenschappen: Openheid, Consciëntieusheid, Extraversie, Altruïsme en Emotionele stabiliteit. Elke eigenschap is een schaal met twee kanten, geen hokje, en iedereen heeft er een eigen plek op.
De Big Five is het model dat persoonlijkheidsonderzoekers wereldwijd het vaakst gebruiken om verschillen tussen mensen te beschrijven. Het gaat uit van vijf brede eigenschappen. Iedereen heeft van elk iets, in een eigen mate.
Op deze pagina lees je waar het model vandaan komt, wat de vijf eigenschappen in het dagelijks leven betekenen, waarom het om schalen gaat en niet om typen, en hoe een test ze meet.
Wat is de Big Five precies?
De Big Five is een beschrijving van persoonlijkheid in vijf brede eigenschappen, die elk lopen van de ene kant naar de andere. Het model zegt niet wat voor type je bent, maar waar je staat op vijf schalen. Je kunt bijvoorbeeld heel nieuwsgierig zijn naar nieuwe ideeën, ongeveer gemiddeld georganiseerd en eerder rustig dan uitbundig. Die vijf posities samen vormen je profiel.
"Big" slaat op de breedte, niet op belangrijkheid. Elke eigenschap vat een hele groep neigingen samen die vaak samen voorkomen. Wie graag onbekende gerechten probeert, in de trein over ideeën nadenkt en een museum boeiend vindt, laat drie kanten zien van één brede eigenschap: Openheid. Binnen elke eigenschap zijn smallere kanten te onderscheiden, die facetten of aspecten heten.
In het Nederlands heet het model ook het vijffactorenmodel. Dat woord komt uit de statistiek: onderzoekers vonden vijf factoren, vijf grote groepen van samenhangende kenmerken.
Waar komt het model vandaan?
De Big Five komt voort uit de taal. Het idee is eenvoudig: als mensen ergens sterk in van elkaar verschillen, hebben ze daar woorden voor bedacht. Onderzoekers verzamelden daarom de bijvoeglijke naamwoorden waarmee mensen elkaar beschrijven, zoals behulpzaam, slordig, spraakzaam en nieuwsgierig. Daarna lieten ze grote groepen mensen zichzelf en anderen met die woorden beoordelen, en keken ze welke woorden samen opgaan. Wie zich spraakzaam noemt, noemt zich vaak ook gezellig en uitgesproken.
Dat leverde steeds vijf grote groepen op. In een bekende reeks studies vond de Amerikaanse psycholoog Lewis Goldberg dezelfde vijf factoren terug in grote verzamelingen Engelse eigenschapswoorden. Dat gebeurde met verschillende rekenmethoden, en zowel wanneer mensen zichzelf beschreven als wanneer anderen dat deden [1]. Deze werkwijze heet de lexicale benadering: de taal als verzameling van wat mensen belangrijk vinden aan elkaar.
Later bleek de structuur ook buiten het Engels overeind te blijven. Toen vragenlijsten werden vertaald in onder meer het Duits, het Portugees, het Hebreeuws, het Chinees, het Koreaans en het Japans, kwamen dezelfde vijf eigenschappen in grote lijnen terug [2]. Dat maakt de Big Five geen natuurwet, maar wel een opvallend stevige beschrijving van hoe mensen verschillen.
De vijf eigenschappen in het kort
Elke eigenschap heeft twee kanten, en beide zijn even waardevol. Hieronder per eigenschap wat ze beschrijft en hoe de twee kanten er in het dagelijks leven uit kunnen zien.
- Openheid gaat over nieuwsgierigheid, verbeelding en zin in nieuwe ideeën en ervaringen. Aan de hoge kant zoek je afwisseling en nieuwe invalshoeken en raak je snel geboeid door iets onbekends. Aan de lage kant kies je voor het beproefde en voor wat aantoonbaar werkt, en denk je praktisch en concreet.
- Consciëntieusheid gaat over zorgvuldigheid, planmatigheid en doelgericht volhouden. Aan de hoge kant werk je graag met een plan en maak je af waar je aan begint. Aan de lage kant blijf je flexibel, schakel je makkelijk als plannen veranderen en voelt een vast schema al snel te strak.
- Extraversie gaat over energie uit sociaal contact, activiteit en prikkels. Aan de hoge kant geven mensen en drukte je energie en zoek je anderen op. Aan de lage kant laden rust en geconcentreerd werk je op, en kies je liever een goed gesprek met een paar mensen dan een volle zaal.
- Altruïsme gaat over warmte, samenwerking en rekening houden met anderen. In andere tests heet deze eigenschap vriendelijkheid, meegaandheid of aangenaamheid; in het Engels agreeableness. Aan de hoge kant let je sterk op hoe anderen zich voelen en help je makkelijk. Aan de lage kant zeg je wat je denkt, kijk je naar wat klopt of werkt en laat je je niet snel ompraten.
- Emotionele stabiliteit gaat over rust onder druk en herstel na tegenslag. Veel tests meten de omgekeerde kant en noemen die neuroticisme; DepthFive beschrijft de eigenschap altijd vanaf de stabiele kant. Aan de hoge kant verandert je stemming langzaam en blijf je kalm als het spannend wordt. Aan de lage kant voel je dingen sterk en merk je snel wanneer er iets verandert of niet klopt.
Een schaal, geen hokje
De Big Five deelt mensen niet in, maar plaatst ze op vijf schalen. Er is geen grens waar iemand ineens "extravert" wordt. De meeste mensen zitten ergens tussen de uitersten, en veel mensen dicht bij het midden.
Dat is geen keuze voor het gemak, maar wat onderzoek laat zien. Een overzicht van 102 studies die zochten naar echte persoonlijkheidstypen, groepen mensen die duidelijk van elkaar gescheiden zijn, kwam tot de conclusie dat zulke typen zeer zeldzaam zijn of niet bestaan [3]. Persoonlijkheid loopt geleidelijk op, net als lichaamslengte: er zijn geen "lange" en "korte" mensen als twee soorten, wel een doorlopende reeks.
Voor jou betekent dat: twee mensen met een score van 45 en 55 lijken meer op elkaar dan de woorden introvert en extravert doen vermoeden. Bij DepthFive heet een score van 40 tot 60 daarom "net boven het midden" of "net onder het midden". Je herkent dan iets van beide kanten.
Hoe meet een test de Big Five?
Een Big Five-test vraagt hoe goed korte uitspraken over gedrag en gevoel bij je passen. Zo'n uitspraak kan bijvoorbeeld gaan over hoe makkelijk je een gesprek begint met onbekenden, of over hoe snel je je spullen opruimt. Je antwoordt op een schaal van helemaal oneens tot helemaal eens, zoals je nu in het algemeen bent.
Per eigenschap tellen de antwoorden op tot een ruwe score. Die zegt op zichzelf weinig: een gemiddeld antwoord van 3,6 op een schaal van 1 tot 5 kan hoog zijn of heel gewoon, afhankelijk van hoe anderen antwoorden. Daarom vergelijkt een goede test je score met een normgroep: een grote groep mensen die dezelfde vragen heeft beantwoord. Het resultaat is een percentiel. Een 70 betekent dat je hoger scoort dan ongeveer 70 van de 100 mensen in die groep. Hoe dat werkt en waarom de groep ertoe doet, lees je bij percentiel en normgroep.
Twee dingen om te onthouden. Een test meet zelfbeschrijving: hoe jij jezelf ziet, niet een verborgen kern onder de oppervlakte. En meer vragen geven een preciezer beeld, omdat toevallige antwoorden elkaar dan beter uitmiddelen.
Wat zegt de Big Five over je leven?
De Big Five beschrijft vooral hoe je gewoonlijk bent: waar je energie van krijgt, hoe je met plannen omgaat, hoe je op anderen reageert. In groepen mensen hangen de eigenschappen ook samen met allerlei uitkomsten in het leven. Onderzoekers vroegen zich af of die verbanden echt zijn of toeval. Een grote herhaalstudie zocht 78 eerder gevonden verbanden opnieuw op. Ongeveer 87 procent kwam terug, al waren de verbanden gemiddeld wat zwakker dan in de eerste studies [4].
Dat zijn bevindingen over groepen. Ze laten zien dat de vijf eigenschappen iets betekenen, maar ze zeggen niets zeker over één persoon. Je profiel beschrijft waar je zwaartepunt ligt; wat je ermee doet, bepaal je zelf.
De Big Five bij DepthFive
DepthFive meet de vijf eigenschappen met een gratis test van 20 vragen, zonder e-mail of account. Je ziet vijf percentielen tegenover ruim 100.000 mensen, een tweede vergelijking met mensen van je eigen leeftijd en geslacht als je die invult, en een Depth Pattern: een korte samenvatting van je profiel, geen type. Wie een preciezer beeld wil, beantwoordt voor eenmalig €25 de overige 100 vragen en krijgt een persoonlijk rapport op basis van alle 120. Je kunt meteen beginnen met de gratis test.
Veelgestelde vragen
Wie heeft de Big Five bedacht?
Niet één persoon. Het model groeide in de twintigste eeuw uit het werk van veel psychologen, die steeds weer vijf brede eigenschappen vonden in de woorden waarmee mensen elkaar beschrijven. Lewis Goldberg speelde een grote rol in het taalonderzoek [1], en Robert McCrae en Paul Costa lieten zien dat de vijf eigenschappen ook in andere talen terugkomen [2].
Zijn er echt maar vijf eigenschappen?
De vijf zijn de breedste lijnen, niet alles wat er over persoonlijkheid te zeggen is. Elke eigenschap bestaat uit smallere kanten, en sommige onderzoekers werken met zes brede eigenschappen in plaats van vijf. Voor een eerste, stevige beschrijving van hoe mensen verschillen, is vijf het meest gebruikte aantal.
Is een hoge score beter dan een lage?
Nee. Elke eigenschap heeft twee kanten met elk hun eigen sterke punten. Wie laag scoort op Extraversie, haalt energie uit rust en geconcentreerd werk; wie hoog scoort, uit mensen en drukte. Een score beschrijft hoe je bent, het is geen cijfer.
Kan je Big Five-profiel veranderen?
Ja, langzaam. Gemiddeld worden mensen tussen hun twintigste en veertigste wat zorgvuldiger en emotioneel stabieler [5]. Dat is een gemiddelde over veel mensen; hoe het bij jou gaat, verschilt per persoon.
Hoe lang duurt een Big Five-test?
Dat hangt af van het aantal vragen. Een test van 20 vragen duurt een paar minuten en geeft een eerste beeld. Een test van 120 vragen duurt ongeveer een kwartier en meet preciezer, omdat toevallige antwoorden dan minder zwaar wegen.
Zie waar jij staat
Doe de gratis test: 20 vragen, ongeveer 4 minuten, en een echte uitslag zonder e-mailadres.
Doe de gratis testUit onderzoek
- Goldberg, L. R. (1990). An alternative "description of personality": The Big-Five factor structure. Journal of Personality and Social Psychology, 59(6), 1216-1229. https://doi.org/10.1037/0022-3514.59.6.1216
- McCrae, R. R., & Costa, P. T., Jr. (1997). Personality trait structure as a human universal. American Psychologist, 52(5), 509-516. https://doi.org/10.1037/0003-066X.52.5.509
- Haslam, N. (2019). Unicorns, snarks, and personality types: A review of the first 102 taxometric studies of personality. Australian Journal of Psychology, 71(1), 39-49. https://doi.org/10.1111/ajpy.12228
- Soto, C. J. (2019). How replicable are links between personality traits and consequential life outcomes? The Life Outcomes of Personality Replication Project. Psychological Science, 30(5), 711-727. https://doi.org/10.1177/0956797619831612
- Roberts, B. W., Walton, K. E., & Viechtbauer, W. (2006). Patterns of mean-level change in personality traits across the life course: A meta-analysis of longitudinal studies. Psychological Bulletin, 132(1), 1-25. https://doi.org/10.1037/0033-2909.132.1.1